E e n g e b e u r t e n i s 
Door: Stijn van Erp 2016

Je loopt naar buiten.

Je loopt door een straat.

Het miezert een beetje.

De straat kijkt grauw.

Er lopen mensen, ze haasten zich,

of verschuilen zich onder een paraplu.

Ze kijken naar de grond.

Jij kijkt en je ziet

tijd

in iedereen

dat iedereen een personificatie is van tijd

de uitkomst van de tijd. Hun tijd.

En in die tijd gebeurt vanalles.

Wij zijn vanalles.

Alles wat is gebeurd.

Gebeurtenissen die belangrijk waren,

die onbelangrijk leken,

van geluk, verdriet, pijn, van zorgen, van even helemaal niks.

Altijd is er wel iets gebeurd.

Nooit niets.

En al die gebeurtenissen samen ben jij,

is hij,

zijn zij,

zij die daar lopen op straat.

Zij zijn wat er is gebeurd tot op dit moment.

Je ziet hoe getekend mensen zijn

hoeveel mensen met zich meedragen aan gebeurtenissen.

Sommige mensen hebben zoveel narigheid meegemaakt.

Je ziet pijn.

Je ziet zwart.

Dof.

Donker.

Je ziet een man.

Nors. Star.

Er is veel gebeurd.

Je kijkt naar hem, je loopt, je nadert hem.

Hij werpt een blik, hij kijkt naar jou, je lacht.

Je kijkt wat er gebeurt.

Je ziet een klein vonkje.

De ogen.

Het zit hem in de ogen.

Je ogen verraden je altijd.

Daar gebeurt het.

Daar zit al het leed, alle vreugde, alle pijn.

Je kunt het zien, de gebeurtenissen.

Hij lacht terug, voorzichtig.

Je loopt verder.

Dat is gebeurd.